Geen beroep mogelijk bij belastingrechter bij afwijzing verzoek om uitstel of kwijtschelding van betaling

Den Haag - Anders dan de Hoge Raad eerder oordeelde is volgens de Hoge Raad niet de belastingrechter maar de burgerlijke rechter bevoegd bij een geschil over een afwijzing van een verzoek om uitstel of kwijtschelding van betaling.

B ontving zijn IB-aanslag 2012 met een te betalen bedrag. Hij vroeg tevergeefs om kwijtschelding van dat bedrag. B ging in beroep tegen die afwijzing. De rechtbank oordeelde dat de belastingrechter niet bevoegd is op een verzoek tot kwijtschelding te beslissen. Tegen een afwijzende beschikking van de ontvanger op een verzoek tot kwijtschelding staat administratief beroep open bij de directeur van de belastingen. Tegen een ongegrondverklaring van dat beroep kan uitsluitend nog een vordering bij de burgerlijke rechter worden ingesteld. In hoger beroep bevestigde het hof deze uitspraak. B ging in cassatie.

De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank is uitgegaan van een juiste opvatting omtrent de bevoegdheid van de burgerlijke rechter ingeval van een afwijzende beslissing op een kwijtscheldingsverzoek als bedoeld in art. 26 IW, afgezien van de – hier niet aan de orde zijnde – uitzonderingen bedoeld in art. 1b, lid 2, van de Uitvoeringsregeling IW. Anders dan de Hoge Raad heeft overwogen in onderdeel 3.6 van zijn arrest van
12 augustus 2016
 geldt hetzelfde ten aanzien van beslissingen op een verzoek tot het verlenen van uitstel van betaling als bedoeld in art. 25 IW.

Hoge Raad, 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2735